biografie van  Marc-Antoine CHARPENTIER,

geboren     1640-45 ? te Parijs                 

gestorven  2 februari 1704 te Parijs                                                                         

 

uit: The NEW GROVE, Dictionary of Music and Musicians van Stanley Sadie

vertaald door Ursula Heuperman  

 

Zijn leven Studie in Italië Hertogin van Guise Comédie Francaise
Grand Dauphin Jezuïeten Gepubliceerde wereken Over zijn werken

 

Zijn leven

De datum van zijn geboorte is niet bekend. Men geloofde in een bewering van Titon du Tillet (description de Parnasse français, 1727) dat Charpentier bij zijn overlijden in 1704 68 jaar oud zou zijn geweest en heel lang werd de datum van 1634 als geboortedatum gehanteerd. Maar om stilistische en andere redenen is 1634 te vroeg gedateerd. Er zijn omstandigheden die veeleer een later datum laten vermoeden. In de jaren tussen 1662 en 1667 zou Charpentier volgens getuigen bij Carissimi in Rome  hebben gestudeerd, en zoals Du Tillet beweerde was hij daar in zijn jeugd (en Dassoucy sprak in 1662 als van een ‘garçon’ (jongen) over hem). Misschien is men dichter bij de waarheid zijn geboorte op een jaar tussen 1640 en 1645 te plaatsen.

Het vaak herhaalde argument dat Charpentier uit een kunstenaarsfamilie kwam en naar Rome ging om er te leren schilderen en niet om muziek te studeren, is nergens gedocumenteerd. Onlangs heeft grondig onderzoek onthuld dat in het midden van de 17e eeuw in Parijs meerdere musici met de naam Charpentier hebben geleefd. Misschien was de een of ander familie van Marc-Antoine.

Studie in Italië

Zijn studietijd bij Giacomo Carissimi (1605-1674) in Rome duurde enkele jaren. Volgens Mercure galant (februari 1681) waren het drie jaren. De vroegste muzikale werken van Charpentier zijn een bewijs van het enorme vermogen zich middeleeuwse Italiaanse stijlen en vormen eigen te maken. Later vond men tussen zijn eigen handschriften kopieën van Carissimi’s Jephte en de niet eerder gepubliceerde Missa mirabilis elationes maris voor vier koren van Francesco Beretta.

Sébastien de Brosard, een van de meest betrouwbare vroege commentatoren van zijn leven en werk, gaf aan dat Carissimi door Charpentier in Frankrijk geïntroduceerd werd. Hij had een aantal kopieën van Carissimi’s diverse Italiaanse motetten en verschillende oratoria meegenomen. Het is zeer waarschijnlijk dat Charpentier’s eigen Italiaanse muzikale werken buiten de hoofse kringen van begin af aan gunstig werden ontvangen. Binnen de hoofse kringen waren het maar kleine groepen fans van Italiaanse muziek zoals Claude Nicaise (domheer van Dijon),  René Ouvrard (maître de musique aan de Sainte- Chapelle du Palais) en abt Matthieu (Curator van St. André-des-Arts).

Hertogin van Guise

Over de eerste muzikale baan van Charpentier bestaat geen duidelijkheid. Er zijn wel aanwijzingen dat hij onmiddellijk na zijn terugkeer uit Rome in dienst trad van Marie de Lorraine, hertogin van Guise. Deze vrome edelvrouwe pochte ermee dat de grootste privé-instellingen voor muziekbeoefening in Frankrijk haar eigendom waren,  tenminste nadat zij in 1675 het vermogen van haar familie had geërfd en naar het huis van haar familie, het Hôtel de Guise,  in het district Marais was verhuisd. Naast de benoeming van Charpentier tot maître de musique (een functie die hij naar men vermoedt tot haar dood in 1688 heeft uitgeoefend) diende Charpentier haar ook als zanger (haute-contre - hoge tenor). Voor haar muziekinstellingen componeerde hij La descente d’Orphée aux enfers (Afdaling van Orfeus naar de onderwereld) en in het geheel zeven andere wereldlijke dramatische werken, inclusief een bewerking van de originele proloog van Le malade imaginaire (De ingebeelde zieke) van Molière onder de naam Couronne des fleurs (Bloemenkroon), verschillende dramatische motetten (‘ora-torios’), andere motetten en psalmenbewerkingen, en de Idylle sur le retour de la santé du roi  (lieflijke schildering van de genezing van de koning). Misschien door de belangstelling van de hertogin voor verschillende vrouwenkloosters schreef hij een aantal kerkelijke werken voor vrouwenstemmen, onder meer motetten, hymnen, een Magnificat-vorm en een Mis die speciaal gecomponeerd werd voor Port-Royal.

Comédie Française

Zeer waarschijnlijk vlak voor zijn ambtsaanvaarding bij de hertogin van Guise ging hij een langdurige verbintenis aan met de theatergroep van Molière, die vanaf 1688  de Comédie Française zou heten. De vruchtbare samenwerking van de dichter Jean Baptiste Poquelin, genaamd Molière  (1622 - 1673), met de eerste grootmeester van de Franse Opéra, de componist Jean Baptiste Lully (1632 - 1687) werd door Lully in 1672 beëindigd. Hij vertrok naar het koninklijk hof voor een lucratieve baan als operacomponist met bijzonder buitengewone koninklijke privileges. Op dit moment benaderde Molière Marc-Antoine Charpentier over de opvolging van Lully aan zijn theater. Toen Molière voor het publiek van Parijs op 8 juli 1672 de eerste voorstelling gaf van zijn komedie La Comtesse d”Escarbagnas (voor het eerst uitgevoerd aan het hof op 2 december 1671) was de ouverture al door Charpentier gecomponeerd en in plaats van het Ballet des ballets - voorafgegaan door muziek van Lully, zoals in december van het jaar ervoor- werd er voorrang gegeven aan de heropvoering van Le mariage forcé (Het afgedwongen huwelijk) met een nieuw tussenspel Intermèdes van Charpentier. Zijn oorspronkelijke muziek verfraaide de proloog, en Intermèdes van Molières laatste toneelstuk, Le malade imaginaire, op de uitvoering van 10 februari 1678 en hij herhaalde het met succes twee keer. Na de dood van Molière in februari 1678 zette Charpentier zijn medewerking aan de Comédie Française voort tot 1686. Hij kreeg opdracht eerder geschreven muziek voor toneelstukken van Molière te vervangen en muziek voor andere toneelstukken van een nieuw arrangement te voorzien zodat het onder Lully gehandhaafde royale aantal medewerkers terug gebracht kon worden. Ook  componeerde hij nieuwe muziek voor andere zeven toneelstukken.

In dienst van de Grand Dauphin

In het begin van de jaren 1680 was Charpentier in dienst van de Grand Dauphin; voor enige tijd was hij zelfs muzikaal directeur. Het is mogelijk dat hij voor de Dauphin twee dramatische werken over hoofse onderwerpen had gecomponeerd: Les plaisirs de Versailles en La fêtes de Rueil, evenals veel verschillende sacrale werken (zelfs geliefd door de koning, volgens de Mercure galant van maart 1681), inclusief een groots ontworpen motet voor de begrafenis van koningin Marie-Thérèse (no. 409) en een op dezelfde wijze gecomponeerde De profundis dat waarschijnlijk dienst deed als begeleidingsstuk (no. 189). In 1683 stelde hij zich kandidaat voor een van de nieuwe functies van sous-maître van de Chapel Royal. Helaas kon hij door ziekte niet aan de tweede ronde deelnemen. Twee maanden later bood koning Louis XIV hem een pensioen aan, officieel als dank voor de diensten voor zijn zoon, de Grand Dauphin. Dit was het uiterste dat Charpentier kon bereiken aan de rand van het koninklijk hof. Hij belandde weer aan deze rand door muziekleraar te worden van Philippe, Hertog van Chartres, die later Hertog van Orléans (in 1701) en tenslotte Regent van Frankrijk werd (1715-1723). Als sollicitatie voor deze functie schreef Charpentier een korte verhandeling over het componeren en maakte een samenvatting van de principes van het basso continuo. Vroege bronnen  beweren dat de twee samenwerkten aan de opera Philomèle, die drie keer in de privékamers van de Hertog in het Palais-Royal werden uitgevoerd.

De Jezuïeten

Misschien ook al in de vroege jaren van 1680 was Charpentier verbonden als componist en maître de musique aan de hoofdkerk van de Jezuïeten te Parijs (St. Louis, later genoemd St. Paul-St. Louis). Brossard zei over deze baan dat hij nu ‘midden tussen de meest briljante mensen van het Franse muziekleven.zat’. Le Cerf de la Viéville noemde de Jezuïetenkerk de ‘kerk van de opera’ (er werden in Charpentiers manuscripten van kerkelijke muziek een aantal zangers genoemd, afkomstig van de Opéra - de Académie Royale de Musique - zoals de bariton Dun.) Naast het componeren van een onmetelijk aantal religieuze werken voor de Jezuïetenkerk werkte hij mee aan gewijde drama’s van het Jezuïeten college zoals het Collège d’Harcourt (no. 498) en het Collège Louis-le-Grand (Celse Martyr, 1687; David et Jonathas, 1688). Zijn enige tragédie lyrique voor de Opéra was Médée op een libretto van Thomas Corneille; voor het eerst uitgevoerd op 4 december 1693. Een tweede uitvoering zou later op 17 november 1700 te Lille plaatsvinden. Dit werk was geen groot succes. Brossard beschreef het  armoedige onthaal door een ‘jaloerse  en onwetende kliek’, hoewel hij zelf geloofde dat dit werk ‘zonder twijfel het meest verfijnde was van alles wat er gedrukt was, zeker sinds de dood van Lully’.

Sainte-Chapelle

Met de dood van François Chaperon op 20 mei 1698 kwam de functie vrij van maïtre de musique aan de Sainte-Chapelle en op 28 juni 1698 werd Charpentier benoemd tot opvolger en bleef er in dienst tot aan zijn dood in 1704. Deze functie was de op één na hoogst mogelijke van zijn carrière in de Franse kerkelijke muziek. - buiten enige relatie tot het Franse hof. De hoogste functie is die van directeur van de Royal Chapelle te Versailles. Hij componeerde zijn meest rijke en meest indrukwekkende werken voor de Sainte-Chapelle: de Motet pour une longue offrande en het oratorio Judicum Salomonis, beiden geschreven voor de jaarlijkse  ‘Messe rouge’  van het parlement, die in de Sainte-Chapelle werd opgedragen; het waren massieve zettingen van de psalmen 19, 26 en 15 en het meesterwerk onder deze missen: ‘Assumpta est Maria’.

Gepubliceerde werken tijdens zijn leven

Helaas werden tijdens het leven van Charpentier niet veel van zijn werken gepubliceerd: enige airs (aria’s) van Circé (Parijs, 1676), enige airs sérieux et à boire (in verschillende nummers van de Mercure galant) en Médée (Parijs, 1694). Enige jaren na zijn dood werden door zijn neef en erfgenaam 12 van zijn kleinere motetten (Parijs, 1709) gepubliceerd en andere lichte werken die per gelegenheid in de jaarlijkse nummers van Meslanges  door de firma Ballard  werden gedrukt. Gelukkig zijn de manuscripten van Charpentier in hun geheel bewaard gebleven en  werden ook zo in 1727 aan de bibliotheek van de koning verkocht.

Over zijn werken

In aanmerking genomen de natuur van zijn muzikale carrière en de functies die hij bekleedde, bestond de omvang van Charpentier's muziek in eerste instantie uit sacrale werken, zoals vocaal en instrumentaal, bestemd voor kerken, privé kapellen en kloosters. Op de tweede plaats van betekenis stonden zijn theatercomposities: intermèdes en bijkomstig ook voor toneelstukken; voor herdersstukken en kamer-opera's; en twee volledige tragediën. En tenslotte is er een klein aantal onafhankelijk wereldlijke werken: airs sérieux et à boire, cantates en werken voor instrumentale ensembles.Charpentier's vocale muziek voor de kerk bestaat uit 11 missen en andere liturgisch functionele werken (4 sequensen, 37 antiphonen, 19 hymnen, 10 Magnificat's in de toonzetting van de Litanie van Loreto, 54 lessen en responsories voor Tenebrae en 4 Te Deum arrangementen, 84 Psalmarrangementen en 207 motetten van gevarieerde aard inclusief de dramatische motetten die in het algemeen oratoria “heilige historie” genoemd werden (door de Fransen). Zijn instrumentale muziek voor de kerk, veel minder om-vangrijk dan zijn vocale, bestaat hoofdzakelijk uit ensemblemuziek, kerstmuzieken (noëls), ouvertures,  preludes en korte eendelige symfonieën. In bijna iedere categorie van de sacrale muziek bestaat een grote verscheidenheid van de afzonderlijke werken in lengte, compositorische technieken en vormen. Hun gezamenlijke basis is Charpentier's persoonlijke stijl. Deze was aanvankelijk gebaseerd op middeleeuws Italiaanse modellen, speciaal op motetti concertanti, oratorios en polyfone koralen van Romeinen zoals Carissimi, Luigi Rossi, Domenico en Virgilio Mazzocchi, Francesco Foggia, Benvenuto en Francesco Beretta. Echter heel snel vermengde Charpentier deze met de Franse wijze van expressiviteit  - de ‘officiële’ grandeur - zelfs zwaarte - van de grand motet van Du Mont en Lalande; een bevallige, overdreven declamatorische vorm tussen recitatief- en ariastijlen, van het hoofse air  van Antoine Boësset en Lambert en het récit in de motetten en opera’s van Lully; de ‘populaire’ eenvoud van noëls; en, met name in de Tenebrae stukken, een vaak grondig bewerkte ornamentele en arabesk-achtige melodieënlijn. Zijn rijke harmonieuze stijl werd in het bijzonder opgemerkt door zijn tijdgenoten, door sommigen met bewondering (‘Néuvièmes et tritons brillèrent sous sa main’), door weer anderen met afkeer (‘Quels tristes accords écorchent nos oreilles’ ofwel ‘ welk droevige akkoorden bereiken onze oren’). In het bijzonder in zijn vroege werken werden zijn harmonische oefeningen gekenmerkt door driest valse verhoudingen zowel gelijktijdig als ook achtereen volgend, “Corelli gekletter”, en enkele en dubbele vertragingen die een buitengewone harmonische spanning oproepen. Overeenkomstige spanning ontstaat plotseling door onverwachte uitschieters uit een vocaal of instrumentaal deel, zich niet storend aan de onderliggende harmonische lijn. Inderdaad heeft zijn muziek dikwijls een ongewone eerlijkheid en zuiverheid.; een beroemd voorbeeld is het laatste koorstuk uit het oratorio  Le reniement de St. Pierre. Nagenoeg nooit  trachtte hij in de stijl van stile antico te componeren, zo als werken voor a-capella gelijkwaardige stemmen

( no. 28 en 71) die de geest van 16-eeuwse polyfonie oproepen. Schilderen met woorden was een fundamentele behoefte voor hem, ook was er een neiging stil te staan bij eenlettergrepige woorden als ‘Oh’ en ‘Ah’. Dit scheen voor hem verrukking en  gevoeligheid  voor zuivere rijkdom in klanken  te betekenen. Steunend op de hem ter beschikking staande bronnen was Charpentier duidelijk geïnteresseerd in contrasten van alle soorten klankkleuren. Meer dan iemand van zijn Franse tijdgenoten onderzocht hij de caleidoscopische mogelijkheden van de concertante stijl met tegenovergestelde stemmen en instrumenten en de concertante stijl van tegenovergestelde petits  en grands choeurs  (kleine en grote koren- vocaal, instrumentaal en gecombineerd).  Hij greep iedere mogelijkheid aan die de tekst van zijn sacrale werken hem bood om deze te dramatiseren, karakteriseren en te personifiëren. Dat heeft niet alleen betrekking op de dramatische motetten-oratoria’s maar evenzeer ook op vele andere werken. In hen is het elementaire contrast van de basis principes van gestructureerde organisatie in zijn verscheidenheid het uiteindelijke doel, zoals Charpentier het noemde ‘de essentie van muziek’.  

Charpentier's muziek omvat ongeveer 30 werken voor toneel die vaak boven het gemiddelde uitstegen. Over het algemeen is het karakter van zijn muziek minder Italiaans en heeft meer te danken aan de Franse voorbeelden en invloeden. Zo vinden wij Franse ouvertures en menige orkestrale ballet-airs, de eersten eigenlijk, toch  hoogdravend en pompeus, maar de latere weer luchtig van structuur, opgewekt en vol delicate nuances in de chromatiek, en tussen de enkele delen ritmische wisselwerkingen. De pastorales voor de hertogin van Guise lijken op korte ballets de choeurs,  afwisselende  zang- en dansvertoningen zonder enige spanning. La fête de Rueil en Les plaisirs de Versailles zijn gelijkvormig, ook al zijn het grotere werken (Charpentier beperkte het laatste op anderhalf uur uitvoeringstijd). In de werken voor de Comédie Française ontwikkelde hij een aanmerkelijke bezieldheid en geestigheid, die aanwezig zijn in het zeer vrolijke “lachende trio” van muzikanten in Les fous divertissants of ‘Cérémonie des médecins’ of Le malade imaginaire. Médée en David et Jonathas, beiden tragédies lyriques gebaseerd op Lully’s voorbeelden, zijn technische zeer bekwame meesterwerken die op verscheidene manieren over het conventionele genre uitstijgen. Bukofzer noemde Charpentier een van de “twee uitzonderlijke cantata-componisten in het midden van de Franse barok”. Dit is maar gedeeltelijk waar. Charpentier componeerde enkele cantates in Italiaanse stijl  (en deze op Italiaanse teksten). De meest opmerkelijke wereldlijke instrumentale werken zijn een dans-suite voor strijkers (no. 545), twee triomferende rondeaux voor orkest met trompet en drums (no. 547) en een kamersonate voor acht instrumenten (no. 548). In het geheel zijn er 548 werken aan Marc-Antoine Charpentier toegeschreven.

De Messe de Minuit de Noël  werd omstreeks 1690 geschreven, maar pas in 1962 in St. Louis voor het eerst gepubliceerd.