De Muze der Muziek heeft haar intocht gedaan...        door Martien Paats in ‘Vocaal’ januari/februari 2003,

 

Dit constateert voorzitter mr. H. Graaf van Hogendorp bij het 25-jarig bestaan van de toen nog niet koninklijke Christelijke Zangersbond in Nederland. Sinds 1880 is in een kerkelijk en maatschappelijk sterk veranderend Nederland het aantal protestantse koren stormachtig gegroeid. Vier personen die een bijdrage hebben geleverd aan deze groei, krijgen in een viertal artikelen enige aandacht. Het zijn drie onderwijzers - H. J. van Lummel, J.C. de Puy, L. Plette - en, als laatste, H. van Hogendorp, die na de oprichting van de bond 37 jaar voorzitter is geweest.

 

H.J. van Lummel

In elke Nederlandse plaats zingen koren het hoogste lied en spelen blaasorkesten de sterren van de hemel. Dat is niet altijd zo geweest.

Muziekbeoefening was lange tijd een voorrecht van de burgers die niet in het zweet des aanschijns het brood hoefden te verdienen. Toen in 1853 het Utrechtse koor Kerkgezang werd opgericht, was muziekbeoefening vooral een zaak van de gegoede burgerij. Er waren wel koren, vooral de liedertafels waar mannen elkaar troffen met niet alleen een lied in de mond, maar ook met een glas in de hand.

 

In de eerste helft van de negentiende eeuw waren er ook zanggezelschappen, die de kerkzang wilden verbeteren. Het Utrechtse Kerkgezang was een late vertegenwoordiger van dit type koren. De oprichter van dit koor, de hoofdonderwijzer H.J. van Lummel, is voor de protestantse koorgezang van belang geweest.

 

Wie was de Hendrik Jan van Lummel (1815-1877)? Zijn betekenis is vooral voor het onderwijs groot geweest. Zijn hart lag bij de zending, maar toen zijn vader in 1831 overleed en hij de financiële zorg kreeg voor zijn moeder en zussen, probeerde hij de school van zijn vader (die eerst huisschilder was geweest) voort te zetten. De autoriteiten  verhinderden dat. Hij kwam - zestien jaar oud - in dienst bij de nieuwe hoofdonderwijzer. In 1840 werd hij hoofdonderwijzer in Houten. Hij bleef studeren, maar hij oefende zich ook in de muziek en schilderkunst.

In 1848 werd hij hoofd van de vierde diaconieschool in Utrecht. In 1857 werd de school uitgebreid met een opleidingsschool voor onderwijzers. Eén van de docenten aan deze school was de beroemde dichter Nicolaas Beets. Van Lummel schreef historische verhalen en hij gaf het Nieuw Geuzenliedboek opnieuw uit. Voor het onderwijs ontwierp hij lesmethoden. Hij was ook de eerste die in Nederland wandplaten voor het onderwijs maakte. Hij probeerde zo de jeugd normen en waarden bij te brengen. Een studie over deze wandplaten, die antiquarisch kostbaar zijn, draagt daarom als titel: Het hangt aan de wand en sticht. Zijn betekenis werd ook buiten protestantse kring erkend en daarom werd hij uitgenodigd als lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, een vooraanstaand gezelschap.

Toen Van Lummel in 1877 overleed bestond de Bond van Christelijke Zangverenigingen in Nederland (nu KCZB) nog niet. Toch heeft hij betekenis gehad. In zijn Utrechtse woning werd Kerkgezang opgericht. In De Lofstem - de oude naam van het bondsblad - van 1936 staat over de oprichting: “Het was aan de avond van den 10 November, dat in de ‘meesterswoning’ der school van de Marnixstichting aan de Springweg enige dames en heren bijeenkwamen om, gelijk zij meermalen deden zich onderling te oefenen in koraalgezang, onder leiding van de onvergetelijke Hendrik Jan van Lummel.”

 

De kerkzang was gebrekkig. J. Smelk schreef er in een vorige Vocaal al over. Een proefschrift van J.R. Luth over het zingen van psalmen in de kerk heeft als veelzeggende titel: Daer wert om ‘t seerste uytgekreten. Een beschrijving van de in de kerk zingende mannen luidt:” Als koeijen die naar de stal verlangen, stonden zij daar en loeiden, ja loeiden in de eigenlijke zin van het woord [...]  Het scheen een worstelwedstrijd tussen het orgel en de gemeente, om te weten wie de baas zou blijven.” Aan dit ‘loeien’ wilde Kerkgezang iets doen. Bovendien wilde het koor bijdragen aan de invoering van liederen uit de bundel Evangelische gezangen. Voor zover ik heb kunnen nagaan is Kerkgezang het enige bij de bond aangesloten koor geweest, dat specifiek is opgericht voor de verbetering van de kerkzang.

 

Andere koren - later opgericht - hadden dat nevendoel. Al in 1861 zong het koor niet uitsluitend koralen meer. Dan staan ook werken van Nederlandse componisten als Viotta en Verhulst op het programma.

 

Langzamerhand heeft Kerkgezang zich - zoals vele andere koren - ontwikkeld tot een oratoriumvereniging. In 2003 viert het koor het feit, dat 150 jaar geleden Hendrik Jan van Lummel in zijn woning het koor oprichtte.

De leden van Kerkgezang kwamen in het begin voor een deel uit het Utrechtse onderwijs. Na 1857 kwamen daarbij leerlingen van de opleidingsschool. Een vergelijking van de leerlingenlist van deze school van Van Lummel, in het gemeentearchief van Utrecht aanwezige presentielijsten van Kerkgezang en een lijst van dirigenten van bij de bond aangesloten koren laat zien, dat vijf van die dirigenten leerling waren van Van Lummel en lid van Kerkgezang. (Het betrof koren in Zelhem, Bolnes, Den Haag, Rotterdam, Dinxperloo en Haarlem). Het zijn er zeker meer geweest, omdat de lijst van 1893 en de presentielijsten slechts momentopnamen geven. Zij behoorden tot de vele onderwijzers die niet alleen zongen in de klas, maar ook na schooltijd er aandacht aan besteedden. Lodewijk Plette, eerst dirigent in Winterswijk en later in Den Haag en Rotterdam en medeoprichter van de bond, komt uit de school van Van Lummel.

 

Niet alleen in en vanuit de school ontstonden koren. Vanaf ongeveer 1850 ontstonden in Nederland jongelingsverenigingen, als vrucht van het Réveil. Zang stond bij de jongelingsverenigingen hoog in aanzien. Zingen stichtte, bracht gezelligheid en hielp bij het ontwikkelen van het schoonheidsgevoel. De Zwolse voorzitter van een jongelingsvereniging, S.H. Serné, schreef artikelen over het zingen en gaf ook een aantal meerstemmige liedbundels uit. Van veel koren uit het eind van de negentiende eeuw weten we, dat ze zijn ontstaan op initiatief van de jongelingsvereniging.

 

Soms werd eerst een mannenkoor opgericht, maar meestal werden al snel ook de dames uitgenodigd. Eén van de vele voorbeelden hiervan is het Zelhems Christelijk Oratorium Koor, dat in 1885 onder de naam Het Heidebloempje werd opgericht. De eerste dirigent, H.M.J. van Rooyen, behoorde tot de tweede lichting van de school van Van Lummel. Zoals het in Zelhem gebeurde, ging het op veel plaatsen, Bij het ontstaan van koren in de laatste decennia van de negentiende eeuw spelen onderwijzers een belangrijke rol en waren jongelingsverenigingen dikwijls het startpunt.

 

Het protestantse koorleven aan het eind van de negentiende eeuw was een jeugdbeweging. Voor het zelfbewuster wordende protestantse volksdeel waren koren de plaats waar jongeren op een eigen wijze hun geloof konden beleven, waar jongens hun ‘meisje van de zangvereniging’ konden ontmoeten, waar men gezellig bijeen kon zijn en waar men vreugde ervoer aan het muziek maken..

 

Dat het koorleven bijna uitsluitend een ‘jeugdbeweging’ was, blijkt ook uit de rouwadvertenties in De Lofstem: bijna zonder uitzondering betreffen die jeugdige personen.

De vele onderwijzers die zich inzetten voor de koorzang, hadden een geweldig voorbeeld in H. J. van Lummel, die op vele terreinen een inspirerende figuur is geweest.

 

deel 2  in ‘Vocaal’ maart/april 2003,

 

Sinds 1880 is in een kerkelijk en maatschappelijk sterk veranderend Nederland het aantal protestantse koren stormachtig gegroeid. Vier personen die een bijdrage hebben geleverd aan deze groei, krijgen in een viertal artikelen enige aandacht.

Hendrik Jan van Lummel was de eerste die Martien Paats besprak. In deze tweede aflevering kunt u kennismaken met Johannes Corstianus de Puy.

 

Johannes Corstianus de Puy (1835-1924) was waarschijnlijk een leerling van Van Lummel. Zeker is dat hij op aanbeveling van hem hoofd van de eerste christelijke school in Sexbierum is geworden. Daar was hij ook de oprichter van de christelijke zangvereniging Euphonia, die nu nog bestaat. In 1981 - bij de viering van het honderdjarig bestaan -kwam het koor erachter, dat het dertien jaar ouder was dan men vierde. Kleindochters van De Puy schonken de fraaie ebbenhouten dirigeerstok met zilverbeslag die J.C. de Puy bij zijn afscheid had gekregen van de vereniging. De inscriptie erop vermeldde de jaartallen 1869 en 1891. Niet 1881, maar 1869 was het geboortejaar van de vereniging.

 

De oprichting van Euphonia is onlosmakelijk verbonden met de komst van de christelijke school in Sexbierum. Rond die komst heeft zich een felle strijd afgespeeld. Een minderheid van de lidmaten van de Hervormde kerk was modern; de predikant ds. Sypkes en de invloedrijke kerkvoogd dr. Knoll, niet. Zij wilden graag een christelijke school tot stand brengen en ook bevorderen dat de te benoemen hoofdonderwijzer koster en organist zou worden. Het kosterschap leverde ƒ 700,00 salaris op en een woning. Dan hoefde alleen maar een school gebouwd worden en geen woning voor het hoofd. Die strijd hebben ze gewonnen.

 

Toen De Puy op 15 juni 1863 op 28-jarige leeftijd benoemd werd had hij al zestien jaar gewerkt. Vanaf zijn twaalfde als kwekeling op een armenschool (hij kreeg daar ongeveer 90 leerlingen voor zijn rekening, de onderwijzers 120 tot 150 leerlingen). Daarna werkte hij op andere Haagse scholen, bij hoofdonderwijzers, van wie we de namen in de bond ook tegenkomen. D. de Visser Smits en W.F. Golterman. In die zestien jaar heeft De Puy zich op vele terreinen bekwaamd, ondanks het feit dat een kwekeling in die tijd driemaal per week moest ‘schoolhouden’, van 9 tot 12 en van 2 tot 4 en van 5 tot 7 uur. Hij was ook leerling van de Koninklijke Muziekschool in Den Haag, waar hij de diploma’s orgelspel en theorie heeft gehaald.

 

De Puy was dus heel goed in staat om in Sexbierum de functie van organist te vervullen. Toen hij in Sexbierum kwam, werd er felle oppositie tegen hem en zijn school gevoerd, maar door zijn optreden maakte de school een enorme bloei door. In 1869 richtte hij dus Euphonia op, dat in 1889 zeventig leden telde en dat volgens de overlevering een goede reputatie had. de samenhang tussen de opbloei van het christelijk onderwijs en het ontstaan van protestantse koren is in Sexbierum duidelijk.

 

Op veel plaatsen is die samenwerking zichtbaar. Predikanten vervulden dikwijls een stimulerende rol; onderwijzers gingen aan de slag. Zij hadden tijdens hun opleiding muzikale vorming gehad en sommigen zoals Van Lummel en De Puy hadden zich ook verder muzikaal bekwaamd. Ik denk dat veel meer dan de helft van de dirigenten van de zestig protestantse koren in het jaar van de oprichting van de bond (1886) onderwijzer was.

Maar dat betekent niet dat alle dirigenten schoolmeester waren. Een beroemd koor uit Wognum werd geleid door Willem Saal, een fruitteler, en in Zwammerdam stond K. Spreij,

“koopman in allewaar”, voor het koor. In Rijnsburg kwam vanaf de oprichting Willem Schoneveld voor het koor De Lofstem staan. Hij was timmerman en tekende volgens overlevering de noten op een houten balkje. Twee predikanten (ds. Weiss uit Haarlem en dr. Heinecken uit Amerongen) namen zelf de dirigeerstok ter hand. En - een belangrijke ontwikkeling - in de loop der jaren zien we voor de ambitieuze koren steeds meer vakmusici verschijnen: S. de Lange, Schoonderbeek, Tierie, Verhey, Van der Blij, Godefroy, Snel, Leo Mens.

 

Terug naar Sexbierum. Voor veel koren was het moeilijk om aan goed repertoire te komen. Maar daarin voorzag De Puy zelf. Hij gaf vijf bundels liederen uit, waaronder Het Harpje en De Lofstem, waarvan de opbrengst bestemd was voor weduwen en wezen van onderwijzers. Weduwen- en wezenpensioen bestond nog niet. Die bundels zijn verschillende  keren herdrukt. Volgens dr. J. Smelik in zijn proefschrift Eén in lied en leven heeft De Puy wel enkele liedteksten geschreven, maar heeft hij zich vooral bezig gehouden met het componeren van ongeveer vijftig melodieën. Hij gebruikte teksten van anderen, onder wie H. .J. van Lummel. Het populairste is geworden ‘Heerlijk klonk het lied der 'englen’. Dat lied publiceerde hij in 1874 en het heeft dus ongetwijfeld veel in Sexbierum geklonken.

 

De kracht van zijn liederen blijkt uit de geschiedenis van één ervan. In Silhouet, een uitgave van dorpsbelang Sexbierum-Pietersbierum (1994) trof ik een verhaal, dat ik met eigen woorden en aangevuld met andere gegevens weergeef. Eén van de melodieën van De Puy heeft als tekst ‘Neerlands duinen, frisse stranden, Neerlands vee en klaverwei’. Op deze melodie wordt nu uit volle borst gezongen ‘God zij met ons Suriname, Hij verheft ons heerlijk land’.. De Lutherse predikant C.A. Hoekstra kreeg vanuit Scheemda een beroep in Suriname. Voor zijn nieuwe vaderland maakte hij een tekst voor een volkslied... op de melodie van De Puy. In 1959 - bij het zelfstandig worden van Suriname - besloot de regering de melodie van De Puy te handhaven en ook een deel van de tekst van Hoekstra bleef in stand.

 

In 1891 vertrok De Puy naar Oostheem (bij Sneek) en later naar Cadzand, waar hij in 1924 overleed. In zijn lange leven heeft De Puy ook veel organisatorisch werk verzet. In 1891 benoemde het bondsbestuur hem tot correspondent voor het noorden van het land. Zijn werk was koeren te ondersteunen en nieuwe leden voor de bond te werven. Van 1906 tot 1923 was hij bestuurslid van de bond.

 

In De Lofstem van 1920 staat over hem “Onze grijze De Puy, den geëerde Veteraan en Voortrekker op het gebied van den christelijke Zang, ons bestuurslid in Zeeland, is koninklijk onderscheiden. H.M. de Koningin benoemde hem tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.”

Zijn leven stond in dienst van het Christelijk onderwijs en de protestantse koorzang.

 

deel 3  in ‘Vocaal’ mei/juni 2003,

 

Sinds 1880 is in een kerkelijk en maatschappelijk sterk veranderend Nederland het aantal protestantse koren stormachtig gegroeid. Vier personen die een bijdrage hebben geleverd aan deze groei, krijgen in deze serie van vier artikelen enige aandacht.

In eerdere afleveringen kwamen Hendrik Jan van Lummel en Johannes Corstianus de Puy aan bod. In deze derde aflevering laat Martien Paats u kennismaken met Lodewijk Plette.

 

Lodewijk Plette

Een derde onderwijzer vraagt de aandacht in de rij van personen die van grote betekenis zijn geweest voor de protestantse koorzang. Het is Lodewijk Plette, een van de belangrijkste mannen bij de oprichting van de Bond van Christelijke Zangerverenigingen in 1886 en componist van het bondslied ‘Eén in geest en streven’. Hij was dirigent in Winterswijk, Den Haag en Rotterdam.

 

In het nummer van de eerste jaargang van het bondsorgaan - toen nog met de naam De Lofstem - schreef Plette: “Ik herhaal het: laat uwe leerlingen niet los na het verlaten van de school. Ik mag, door ondervinding geleerd, getuigen dat menig onderwijzer met mij een zegen wegdroeg door de zang met zijne oud-leerlingen.” Hij riep zijn collega-onderwijzers op met hem door middel van de zang beschaving en zedelijke ontwikkeling te bevorderen. Die oproep was niet aan dovemansoren gericht. Veel onderwijzers waren de spil van zangverenigingen. De negentiende-eeuwse onderwijzer zag voor zichzelf de taak als cultureel en maatschappelijk werker weggelegd. Dit ondanks het feit dat die onderwijzer vóór 1857 altijd een bijbaan moest hebben. In de Gids voor de onderwijzer uit 1883 staat: “De verheffing en de veredeling der volksontwikkeling moet hoofdzakelijk uitgaan van de lagere school.”

 

Terug naar Plette. Hij begon zijn loopbaan als hulponderwijzer bij Van Lummel in Utrecht. In 1869 werd hij hoofd van de niet-gesubsidieerde bijzondere school in Winterswijk, die met 103 leerlingen startte. Toen Plette in 1880 vertrok - ook uit de woning waarin daarna de schilder Mondriaan opgroeide - telde de school 330 leerlingen. Over kooractiviteiten van Plette is niets bekend, maar wel staat in een gedenkboek, dat Plette tegen de zin van het schoolbestuur een concert voor zang in de sociëteit had bijgewoond, “daar toch op een concert door de wereld gegeven, er veel is dat een christen niet kan goedkeuren”.

Plette wordt in Den Haag hoofdonderwijzer van de Weeshuisschool. In de notulen van het christelijk onderwijs staat, dat Plette “tot de regenten het verzoek richtte hem een ‘serafinorgel’ te verschaffen voor zijn zang en muziekonderwijs, zowel aan de scholieren als aan de onderwijzers der drie scholen.” Plette werd verzocht een protestantse zangvereniging op te richten. Waarschijnlijk was er al dertig jaar een groepje zanglustigen, die regelmatig oefenden, maar meerstemmig gezang was toen in protestantse kring een bijna onbekende zaak. Het muzikale klimaat onderging verbetering, bijvoorbeeld door de activiteiten van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst en de oprichting van de Koninklijke Muziekschool. Ook de opkomst van het harmonium speelde een belangrijke rol.

De vele advertenties in De Lofstem voor harmoniums getuigen van de nauwe relatie tussen meerstemmige koorzang en dit instrument.

Verbeterd muziekonderwijs, het harmonium en een inspirerende onderwijzer droegen bij tot het ontstaan (in 1881) van de Haagse (nu Koninklijke) Zangvereniging Excelsior. Dit was geen doorsnee koor. De leden waren (veelal) jonge onderwijzers, ambtenaren en middenstanders. Zij toonden een behoorlijke bestuurskracht. Veel andere koren misten dat in het begin; de onderwijzer was dan dirigent en voorzitter. Maar toch is het een feit dat veel jongeren in koorverband geleerd hebben bestuursverantwoordelijkheid te dragen. Het protestantse koorleven heeft zo ook een bijdrage geleverd aan de emancipatie van hen die niet tot de gegoede burgerij behoorden. Ook een bijdrage aan de vrouwenemancipatie. In 1881 werd bij Excelsior met een geringe meerderheid besloten dat de vrouwen na de mannen moesten stemmen. De achterliggende gedachte was dat vrouwelijke leden zich dan in hun stemgedrag konden richten op het stemgedrag van eventueel aanwezige partners. Plette trad af. Hij was woedend. Hij kwam terug nadat ook door krachtige steun van het bestuur een eind was gemaakt aan “een stuitende onrechtvaardigheid en onwellevendheid jegens de dames aan wie zo doende een brevet van onmondigheid wordt uitgereikt.” Dit gebeurde ver voor de invoering van het kiesrecht voor vrouwen.

 

Plette is directeur van Excelsior geweest van 1881 tot 1890. Het koor wilde graag goede kwaliteit leveren maar die werd van een aantal kanten bedreigd in de eerste plaats doordat het koor veel optrad. Men zong in de kerk, in concertzalen - soms voor het Koninklijk Huis -, dikwijls ook ten bate van het christelijk onderwijs of liefdadigheidsdoeleinden. Daarnaast vroegen huishoudelijke  zaken te veel aandacht. De repetities werden vroeger kenmerkend vergaderingen genoemd. Elke week werd een verslag gemaakt. Om meer tijd voor repetitie vrij te maken werden na een aantal jaren de huishoudelijke zaken op aparte bijeenkomsten aan de orde gesteld.

Eén van die zaken was de toelating van leden, waarvoor ballotagecommissies, één voor mannen en één voor vrouwen, bestonden. Ook bleek de orde een probleem. In 1888 verscheen Plette niet op de repetities. Er waren moeilijkheden tussen het bestuur en hem. Die werden opgelost. Op de volgende repetitie deelde Plette mee dat hij op verzoek van het bestuur voortaan strenger zou zijn. op deze mededeling volgde applaus. In 1890 nam hij door ziekte gedwongen afscheid van Excelsior. Het koor was toe aan een beroepsmusicus. Zijn opvolger was de befaamde Samuel de Lange. Onder hem en zijn opvolgers ontwikkelde Excelsior zich tot een oratoriumvereniging.

 

Excelsior was niet het enige Haagse koor. In 1875 werd de mannenzangvereniging ‘Oefening en Stichting’ door de onderwijzer Nieuwkerk opgericht. Hij wilde door het ‘oefenen’ (zingen) van geestelijke liederen ‘stichten’. De eerste vijf uitvoeringen werden gegeven voor de christelijke jongelingsvereniging. In 1885 vormde de jeugdige Fredrik C.H. Schlamilch het koor om tot een gemengde zangvereniging. Dat betekende een geweldige opbloei. Nu geniet dit koor grote bekendheid onder de naam Residentie Bachkoor. De oorsprong ligt - zoals bij veel koren - in de  wekelijkse bijeenkomst van jongelingen, die, aanvankelijk geïnspireerd door het Réveil, als doel had ‘de geestelijke, verstandelijke en lichamelijke ontwikkeling der jongelingschap.’

 

Zowel ‘Oefening en Stichting’ als Excelsior besteedden veel aandacht aan koorscholing en muzikale vorming van de jeugd. In 1904 zijn aan elf protestantse koren zangscholen verbonden, waarvan die van Kerkgezang met honderd leerlingen de grootste was. Daarnaast waren er koren die voorafgaand aan de repetities muzikale vorming gaven aan die leden die te weinig muzikale bagage hadden. Plette was een lichtend voorbeeld. Zijn oproep om met jeugdigen te musiceren werd nagevolgd. In zijn werk voor de Bond heeft hij daarvoor ook een bestuurlijk kader gecreëerd.

 

deel  4   in ‘Vocaal’ juli/augustus 2003,

 

Sinds 1880 is in een kerkelijk en maatschappelijk sterk veranderend Nederland het aantal protestantse koren stormachtig gegroeid. Vier personen die een bijdrage hebben geleverd aan deze groei, krijgen in deze serie van vier artikelen enige aandacht.

In eerdere afleveringen kwamen Hendrik Jan van Lummel, Johannes Corstianus de Puy en Lodewijk Plette aan bod. In deze vierde en laatste aflevering laat Martien Paats u kennismaken met mr. H. Graaf Van Hogendorp.

 

Op  19 februari 1886, de verjaardag van Koning Willem III, werd in het Haagse Diligentia door zeven koren de Bond van Christelijke Zangverenigingen in Nederland opgericht. Toen ‘s avonds de statuten en een werkplan waren vastgesteld, klonk er buiten vuurwerk... ter gelegenheid van de verjaardag van de koning. Als voorzitter werd aangezocht mr. Henrik Graaf Van Hogendorp (1842-1924). Die keus is voor de bond van grote betekenis geweest. Hij had een nam die ontzag inboezemde. Hij was de kleinzoon van Gijsbert Karel van Hogendorp, die in 1813 een belangrijke bijdrage leverde aan het herstel van de onafhankelijkheid van Nederland en de terugkeer van Oranje.

 

Henrik van Hogendorp was een man met grote culturele belangstelling. Hij was bestuurslid van het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst en voorzitter van het bestuur van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Bij zijn begrafenis werd de rouwstoet voorafgegaan door de Koninklijke Militaire Kapel, voor een belangrijk deel bestaande uit oud-leerlingen van dit conservatorium.

 

Hij was kerkvoogd van de Hervormde Kerk. Zijn dagelijks brood verdiende hij als referendaris op een van de departementen en hij onderhield goede contacten met het Koninklijk Huis. Met groot gezag is hij bijna zevenendertig jaar voorzitter van de bond geweest. Twee verdiensten springen in het oog: zijn grote muzikaliteit en zijn ruimhartigheid.

 

Zijn muzikaliteit komt tot uitdrukking in veel composities van zijn hand. Zo is ook het huidige bondslied, dat door Plette gedicht is op een melodie van een Duitse componist, door hem van een nieuwe wijs voorzien, compleet met vierstemmige zetting. Op bondsraden vroeg hij aandacht voor de grote werken uit de koorliteratuur en hij schroomde niet om delen daaruit zelf voor te zingen. Hij was ook de grote stimulator van het uitgeven van muziek voor de bij de bond aangesloten koren. Als eerste werden vier niet omvangrijke nummers (met Nederlandse tekst) voor rekening van de bond gedrukt bij de weesinrichting Neerbosch. Het waren: een koor uit de Jozua van Händel, een koor uit de Elias van Mendelssohn, een koraal van Bach en een psalm van Pergolesi. tot heden heeft de uitgeverij 1400 composities uitgegeven.

Van Hogendorp speelde een belangrijke rol in de muziekcommissie die de muziek beoordeelde op geschiktheid. In de eerste decennia van het bestaan van de bond waren er veel koren die bijna uitsluitend bondsmuziek zongen. Die muziek had een Nederlandse tekst en was niet duur. Bij iedere uitgave van het bondslied zat ook een stuk muziek. Zo kon men makkelijk een keuze maken. Voor de jonge bond was deze voorziening van levensbelang.

Van Hogendorp verzette zich tegen veel van de opwekkingsliederen die onder andere door  Sankey populair waren gemaakt. C.S. Adama van Scheltema (1839-1889), een vurig bevorderaar van de koorzang, was een propagandist van deze opwekkingsliederen. Voor hem “waren verheven esthetische idealen misplaatste luxeartikelen, gezien de grote geestelijke misère waarin Nederland verkeerde”.  Van Hogendorp zorgde dat er ook oor was voor de muzikale kwaliteit van het repertoire van de koren. In De Lofstem hield hij een vurig pleidooi voor goede muziek. Van Hogendorp zegt van de vocale muziek: “Woorden en muziek behooren dan ook samen te gaan en ééne strekking te hebben; zij moeten bij elkander passen; geen dank- en loflied op een platten straatdeun, geen gebed van een stervend kind op een polka, geen smeekbede om zondevergeving op een wals, zooals die te vinden zijn onder de liederen van Sankey en anderen”.  Adama van Scheltema én Van Hogendorp vertegenwoordigen twee stromingen in de protestantse liedcultuur.

Naast de muziekvoorziening (behalve een uitgeverij ook een bibliotheek) vormden de zangersfeesten een belangrijk bindend element voor de bond en bovendien brachten de feesten een stroom van publiciteit op gang, die goed was voor de ledenwerving. In 1888 zongen 600 van de 1.423 bij de bond aangesloten zangers op het vijfentwintigste Christelijke Nationale Zendingsfeest. In 1890 vond op het landgoed Maria's Lust te Apeldoorn het eerste eigen zangfeest plaats. Glans kreeg deze dag door het bezoek eraan van Koningin Emma en Prinses Wilhelmina. De goede contacten van Van Hogendorp met het Koninklijk Huis kwamen van pas, evenals zijn relaties met vele adellijke families in het land, die hun landgoederen beschikbaar stelden voor de zestien zangersfeesten die tot de Eerste Wereldoorlog gehouden zijn.

 

De sprekers moesten met zorg gekozen worden. De verschillende stromingen in protestants Nederland moesten aan bod komen. De bond werd opgericht in 1886. Dat is ook het jaar van de Doleantie. In 1834 had al een Afscheiding van de Hervormde kerk plaatsgevonden. Kerkelijk heerste er een grote verdeeldheid. Ook onder orthodoxe protestanten was die aanwezig. Abraham Kuyper ijverde voor eigen organisaties op een aantal terreinen. Niet allen die orthodox waren volgden hem daarin. Over het christelijk onderwijs was men het eens. Maar op het terrein van wetenschap en politiek gingen de wegen uiteen. Kuyper noemde hen die hem niet helemaal volgden ‘halven ‘. Hij en zijn volgers waren ‘heelen’. Het is  mede de verdienste van Van Hogendorp dat in die tijd veel koren en ook de bond onderdak boden aan orthodoxe protestanten van velerlei snit.

 

Tekenend voor de ruimhartigheid van Van Hogendorp is een artikel van hem in De Lofstem onder de veelzeggende titel ‘In de ruimte’. “Ik weet er zoo menschen, die iets niet als christelijk kunnen aannemen, als er niet, (ja, hoe zal ik het uitdrukken? Misschien zoo:) als er niet een opzettelijk christelijk etiket aangehecht is. Maar ik vrees, dat voor zoodanigen menig verhaal van Jezus, met hoeveel devotie ook aangehoord, voor de rechtbank gedaagd, niet christelijk genoeg moet zijn [...]. Geen bekrompenheid maar ruimte, is het wezen van het christendom. “

 

Rond 1850 was er maar een zeer beperkte groep Nederlanders die zich bezighield met muziek als kunstvorm. In  veel studies wordt beweerd, dat cultuuroverdracht en cultuurspreiding voornamelijk plaatsvond in genootschappen en maatschappijen zoals Het Nut en Toonkunst en later door het socialisme. Dat is een eenzijdige opvatting. Wie het protestantse koorleven tussen 1880 en 1915 bestudeert, ziet dat aan velen al musicerend de schoonheid van de muziek is geopenbaard. Volgens een globale becijfering van Van Hogendorp hebben in die periode 60.000 mensen kennis gemaakt met bladmuziek. Niet alleen zongen zij religieuze en vaderlandse liederen, maar ook werk van bekende componisten als Viotta, Verhulst, Zweers, Brandt Buys, Röntgen en Gade. Steeds meer koren gingen ook de grotere werken uit de koorliteratuur zingen.

Naar mijn oordeel heeft deze cultuurspreiding en cultuuroverdracht in de protestantse wereld kunnen voordoen dankzij de ‘verzuiling‘, de vierdeling die zich voltrok in de  Nederlandse samenleving. Binnen eigen verenigingen zochten jongeren elkaar op en een deel van hen ging zingen, als religieuze uiting als samenbindend element, maar ook uit liefde tot de muziek, uit een behoefte zich al zingend te uiten.

Rond 1880  was er geen zangtraditie. In 1911 constateert Van Hogendorp: “En nu? Allerwegen wordt gezongen; wie vroeger niet aan muziek dacht, neemt nu het notenblad in de hand; wie vroeger om zingen zou gelachen hebben, werkt nu ijverig op repetities en uitvoering mede.

De Muze der Muziek heeft haar intocht gedaan en wordt als welkome gast begroet”.

 

Dit is te danken aan veel onderwijzers zoals Van Lumley, De Puy en Plette, maar ook een  man als mr. Henrik Graaf Van Hogendorp, die met zijn muzikale en organisatorische gaven voor het protestantse koorleven en voor de Bond van Christelijke Zangverenigingen in Nederland van eminente betekenis is geweest.

                                                                                                              Martien Paats