De
Muze der Muziek heeft haar intocht gedaan... door
Martien Paats in ‘Vocaal’ januari/februari 2003,
Dit constateert voorzitter mr. H. Graaf van Hogendorp bij
het 25-jarig bestaan van de toen nog niet koninklijke Christelijke Zangersbond
in Nederland. Sinds 1880 is in een kerkelijk en maatschappelijk sterk
veranderend Nederland het aantal protestantse koren stormachtig gegroeid. Vier
personen die een bijdrage hebben geleverd aan deze groei, krijgen in een
viertal artikelen enige aandacht. Het zijn drie onderwijzers - H. J. van
Lummel, J.C. de Puy, L. Plette - en, als laatste, H. van Hogendorp, die na de
oprichting van de bond 37 jaar voorzitter is geweest.
H.J. van Lummel
In elke Nederlandse plaats zingen koren het hoogste lied en
spelen blaasorkesten de sterren van de hemel. Dat is niet altijd zo geweest.
Muziekbeoefening was lange tijd een voorrecht van de burgers
die niet in het zweet des aanschijns het brood hoefden te verdienen. Toen in
1853 het Utrechtse koor Kerkgezang werd opgericht, was muziekbeoefening vooral
een zaak van de gegoede burgerij. Er waren wel koren, vooral de liedertafels
waar mannen elkaar troffen met niet alleen een lied in de mond, maar ook met
een glas in de hand.
In de eerste helft van de negentiende eeuw waren er ook
zanggezelschappen, die de kerkzang wilden verbeteren. Het Utrechtse Kerkgezang
was een late vertegenwoordiger van dit type koren. De oprichter van dit koor,
de hoofdonderwijzer H.J. van Lummel, is voor de protestantse koorgezang van
belang geweest.
Wie was de Hendrik Jan van Lummel (1815-1877)? Zijn
betekenis is vooral voor het onderwijs groot geweest. Zijn hart lag bij de
zending, maar toen zijn vader in 1831 overleed en hij de financiële zorg kreeg
voor zijn moeder en zussen, probeerde hij de school van zijn vader (die eerst
huisschilder was geweest) voort te zetten. De autoriteiten verhinderden dat. Hij kwam - zestien jaar
oud - in dienst bij de nieuwe hoofdonderwijzer. In 1840 werd hij
hoofdonderwijzer in Houten. Hij bleef studeren, maar hij oefende zich ook in de
muziek en schilderkunst.
In 1848 werd hij hoofd van de vierde diaconieschool in
Utrecht. In 1857 werd de school uitgebreid met een opleidingsschool voor
onderwijzers. Eén van de docenten aan deze school was de beroemde dichter
Nicolaas Beets. Van Lummel schreef historische verhalen en hij gaf het Nieuw
Geuzenliedboek opnieuw uit. Voor het onderwijs ontwierp hij lesmethoden.
Hij was ook de eerste die in Nederland wandplaten voor het onderwijs maakte.
Hij probeerde zo de jeugd normen en waarden bij te brengen. Een studie over
deze wandplaten, die antiquarisch kostbaar zijn, draagt daarom als titel: Het
hangt aan de wand en sticht. Zijn betekenis werd ook buiten protestantse
kring erkend en daarom werd hij uitgenodigd als lid van de Maatschappij der
Nederlandse Letterkunde, een vooraanstaand gezelschap.
Toen Van Lummel in 1877 overleed bestond de Bond van
Christelijke Zangverenigingen in Nederland (nu KCZB) nog niet. Toch heeft hij
betekenis gehad. In zijn Utrechtse woning werd Kerkgezang opgericht. In De
Lofstem - de oude naam van het bondsblad - van 1936 staat over de oprichting:
“Het was aan de avond van den 10 November, dat in de ‘meesterswoning’ der
school van de Marnixstichting aan de Springweg enige dames en heren
bijeenkwamen om, gelijk zij meermalen deden zich onderling te oefenen in
koraalgezang, onder leiding van de onvergetelijke Hendrik Jan van Lummel.”
De kerkzang was gebrekkig. J.
Smelk schreef er in een vorige Vocaal al over. Een proefschrift van J.R. Luth
over het zingen van psalmen in de kerk heeft als veelzeggende titel: Daer
wert om ‘t seerste uytgekreten. Een beschrijving van de in de kerk zingende
mannen luidt:” Als koeijen die naar de stal verlangen, stonden zij daar en
loeiden, ja loeiden in de eigenlijke zin van het woord [...] Het scheen een worstelwedstrijd tussen het
orgel en de gemeente, om te weten wie de baas zou blijven.” Aan dit ‘loeien’
wilde Kerkgezang iets doen. Bovendien wilde het koor bijdragen aan de invoering
van liederen uit de bundel Evangelische gezangen. Voor zover ik heb
kunnen nagaan is Kerkgezang het enige bij de bond aangesloten koor geweest, dat
specifiek is opgericht voor de verbetering van de kerkzang.
Andere koren - later opgericht -
hadden dat nevendoel. Al in 1861 zong het koor niet uitsluitend koralen meer.
Dan staan ook werken van Nederlandse componisten als Viotta en Verhulst op het
programma.
Langzamerhand
heeft Kerkgezang zich - zoals vele andere koren - ontwikkeld tot een
oratoriumvereniging. In 2003 viert het koor het feit, dat 150 jaar geleden
Hendrik Jan van Lummel in zijn woning het koor oprichtte.
De leden van Kerkgezang kwamen in
het begin voor een deel uit het Utrechtse onderwijs. Na 1857 kwamen daarbij
leerlingen van de opleidingsschool. Een vergelijking van de leerlingenlist van
deze school van Van Lummel, in het gemeentearchief van Utrecht aanwezige
presentielijsten van Kerkgezang en een lijst van dirigenten van bij de bond
aangesloten koren laat zien, dat vijf van die dirigenten leerling waren van Van
Lummel en lid van Kerkgezang. (Het betrof koren in Zelhem, Bolnes, Den Haag,
Rotterdam, Dinxperloo en Haarlem). Het zijn er zeker meer geweest, omdat de
lijst van 1893 en de presentielijsten slechts momentopnamen geven. Zij
behoorden tot de vele onderwijzers die niet alleen zongen in de klas, maar ook
na schooltijd er aandacht aan besteedden. Lodewijk Plette, eerst dirigent in
Winterswijk en later in Den Haag en Rotterdam en medeoprichter van de bond,
komt uit de school van Van Lummel.
Niet alleen in en vanuit de school
ontstonden koren. Vanaf ongeveer 1850 ontstonden in Nederland
jongelingsverenigingen, als vrucht van het Réveil. Zang stond bij de
jongelingsverenigingen hoog in aanzien. Zingen stichtte, bracht gezelligheid en
hielp bij het ontwikkelen van het schoonheidsgevoel. De Zwolse voorzitter van
een jongelingsvereniging, S.H. Serné, schreef artikelen over het zingen en gaf
ook een aantal meerstemmige liedbundels uit. Van veel koren uit het eind van de
negentiende eeuw weten we, dat ze zijn ontstaan op initiatief van de jongelingsvereniging.
Soms werd eerst een mannenkoor
opgericht, maar meestal werden al snel ook de dames uitgenodigd. Eén van de
vele voorbeelden hiervan is het Zelhems Christelijk Oratorium Koor, dat in 1885
onder de naam Het Heidebloempje werd opgericht. De eerste dirigent, H.M.J. van
Rooyen, behoorde tot de tweede lichting van de school van Van Lummel. Zoals het
in Zelhem gebeurde, ging het op veel plaatsen, Bij het ontstaan van koren in de
laatste decennia van de negentiende eeuw spelen onderwijzers een belangrijke
rol en waren jongelingsverenigingen dikwijls het startpunt.
Het protestantse koorleven aan het
eind van de negentiende eeuw was een jeugdbeweging. Voor het zelfbewuster
wordende protestantse volksdeel waren koren de plaats waar jongeren op een eigen
wijze hun geloof konden beleven, waar jongens hun ‘meisje van de
zangvereniging’ konden ontmoeten, waar men gezellig bijeen kon zijn en waar men
vreugde ervoer aan het muziek maken..
Dat het koorleven bijna
uitsluitend een ‘jeugdbeweging’ was, blijkt ook uit de rouwadvertenties in De
Lofstem: bijna zonder uitzondering betreffen die jeugdige personen.
De vele onderwijzers die zich
inzetten voor de koorzang, hadden een geweldig voorbeeld in H. J. van Lummel,
die op vele terreinen een inspirerende figuur is geweest.
deel 2
in ‘Vocaal’ maart/april 2003,
Sinds 1880 is in een kerkelijk en
maatschappelijk sterk veranderend Nederland het aantal protestantse koren
stormachtig gegroeid. Vier personen die een bijdrage hebben geleverd aan deze
groei, krijgen in een viertal artikelen enige aandacht.
Hendrik Jan van Lummel was de
eerste die Martien Paats besprak. In deze tweede aflevering kunt u kennismaken
met Johannes Corstianus de Puy.
Johannes Corstianus de Puy
(1835-1924) was waarschijnlijk een leerling van Van Lummel. Zeker is dat hij op
aanbeveling van hem hoofd van de eerste christelijke school in Sexbierum is
geworden. Daar was hij ook de oprichter van de christelijke zangvereniging
Euphonia, die nu nog bestaat. In 1981 - bij de viering van het honderdjarig
bestaan -kwam het koor erachter, dat het dertien jaar ouder was dan men vierde.
Kleindochters van De Puy schonken de fraaie ebbenhouten dirigeerstok met
zilverbeslag die J.C. de Puy bij zijn afscheid had gekregen van de vereniging.
De inscriptie erop vermeldde de jaartallen 1869 en 1891. Niet 1881, maar 1869
was het geboortejaar van de vereniging.
De oprichting van Euphonia is
onlosmakelijk verbonden met de komst van de christelijke school in Sexbierum.
Rond die komst heeft zich een felle strijd afgespeeld. Een minderheid van de
lidmaten van de Hervormde kerk was modern; de predikant ds. Sypkes en de
invloedrijke kerkvoogd dr. Knoll, niet. Zij wilden graag een christelijke
school tot stand brengen en ook bevorderen dat de te benoemen hoofdonderwijzer
koster en organist zou worden. Het kosterschap leverde ƒ 700,00 salaris op en
een woning. Dan hoefde alleen maar een school gebouwd worden en geen woning
voor het hoofd. Die strijd hebben ze gewonnen.
Toen De Puy op 15 juni 1863 op
28-jarige leeftijd benoemd werd had hij al zestien jaar gewerkt. Vanaf zijn
twaalfde als kwekeling op een armenschool (hij kreeg daar ongeveer 90
leerlingen voor zijn rekening, de onderwijzers 120 tot 150 leerlingen). Daarna
werkte hij op andere Haagse scholen, bij hoofdonderwijzers, van wie we de namen
in de bond ook tegenkomen. D. de Visser Smits en W.F. Golterman. In die zestien
jaar heeft De Puy zich op vele terreinen bekwaamd, ondanks het feit dat een
kwekeling in die tijd driemaal per week moest ‘schoolhouden’, van 9 tot 12 en
van 2 tot 4 en van 5 tot 7 uur. Hij was ook leerling van de Koninklijke
Muziekschool in Den Haag, waar hij de diploma’s orgelspel en theorie heeft
gehaald.
De Puy was dus heel goed in staat
om in Sexbierum de functie van organist te vervullen. Toen hij in Sexbierum
kwam, werd er felle oppositie tegen hem en zijn school gevoerd, maar door zijn
optreden maakte de school een enorme bloei door. In 1869 richtte hij dus
Euphonia op, dat in 1889 zeventig leden telde en dat volgens de overlevering
een goede reputatie had. de samenhang tussen de opbloei van het christelijk
onderwijs en het ontstaan van protestantse koren is in Sexbierum duidelijk.
Op veel plaatsen is die
samenwerking zichtbaar. Predikanten vervulden dikwijls een stimulerende rol;
onderwijzers gingen aan de slag. Zij hadden tijdens hun opleiding muzikale
vorming gehad en sommigen zoals Van Lummel en De Puy hadden zich ook verder
muzikaal bekwaamd. Ik denk dat veel meer dan de helft van de dirigenten van de
zestig protestantse koren in het jaar van de oprichting van de bond (1886)
onderwijzer was.
Maar dat betekent niet dat alle dirigenten schoolmeester
waren. Een beroemd koor uit Wognum werd geleid door Willem Saal, een
fruitteler, en in Zwammerdam stond K. Spreij,
“koopman in allewaar”, voor het koor.
In Rijnsburg kwam vanaf de oprichting Willem Schoneveld voor het koor De
Lofstem staan. Hij was timmerman en tekende volgens overlevering de noten op
een houten balkje. Twee predikanten (ds. Weiss uit Haarlem en dr. Heinecken uit
Amerongen) namen zelf de dirigeerstok ter hand. En - een belangrijke
ontwikkeling - in de loop der jaren zien we voor de ambitieuze koren steeds
meer vakmusici verschijnen: S. de Lange, Schoonderbeek, Tierie, Verhey, Van der
Blij, Godefroy, Snel, Leo Mens.
Terug naar Sexbierum. Voor veel
koren was het moeilijk om aan goed repertoire te komen. Maar daarin voorzag De
Puy zelf. Hij gaf vijf bundels liederen uit, waaronder Het Harpje en De
Lofstem, waarvan de opbrengst bestemd was voor weduwen en wezen van
onderwijzers. Weduwen- en wezenpensioen bestond nog niet. Die bundels zijn
verschillende keren herdrukt. Volgens
dr. J. Smelik in zijn proefschrift Eén in lied en leven heeft De Puy wel
enkele liedteksten geschreven, maar heeft hij zich vooral bezig gehouden met
het componeren van ongeveer vijftig melodieën. Hij gebruikte teksten van
anderen, onder wie H. .J. van Lummel. Het populairste is geworden ‘Heerlijk
klonk het lied der 'englen’. Dat lied publiceerde hij in 1874 en het heeft dus
ongetwijfeld veel in Sexbierum geklonken.
De kracht van zijn liederen blijkt
uit de geschiedenis van één ervan. In Silhouet, een uitgave van
dorpsbelang Sexbierum-Pietersbierum (1994) trof ik een verhaal, dat ik met
eigen woorden en aangevuld met andere gegevens weergeef. Eén van de melodieën
van De Puy heeft als tekst ‘Neerlands duinen, frisse stranden, Neerlands vee en
klaverwei’. Op deze melodie wordt nu uit volle borst gezongen ‘God zij met ons
Suriname, Hij verheft ons heerlijk land’.. De Lutherse predikant C.A. Hoekstra
kreeg vanuit Scheemda een beroep in Suriname. Voor zijn nieuwe vaderland maakte
hij een tekst voor een volkslied... op de melodie van De Puy. In 1959 - bij het
zelfstandig worden van Suriname - besloot de regering de melodie van De Puy te
handhaven en ook een deel van de tekst van Hoekstra bleef in stand.
In 1891 vertrok De Puy naar
Oostheem (bij Sneek) en later naar Cadzand, waar hij in 1924 overleed. In zijn
lange leven heeft De Puy ook veel organisatorisch werk verzet. In 1891 benoemde
het bondsbestuur hem tot correspondent voor het noorden van het land. Zijn werk
was koeren te ondersteunen en nieuwe leden voor de bond te werven. Van 1906 tot
1923 was hij bestuurslid van de bond.
In De Lofstem van 1920
staat over hem “Onze grijze De Puy, den geëerde Veteraan en Voortrekker op het
gebied van den christelijke Zang, ons bestuurslid in Zeeland, is koninklijk
onderscheiden. H.M. de Koningin benoemde hem tot Ridder in de Orde van
Oranje-Nassau.”
Zijn leven stond in dienst van het
Christelijk onderwijs en de protestantse koorzang.
deel 3 in
‘Vocaal’ mei/juni 2003,
Sinds 1880 is in een kerkelijk en
maatschappelijk sterk veranderend Nederland het aantal protestantse koren
stormachtig gegroeid. Vier personen die een bijdrage hebben geleverd aan deze
groei, krijgen in deze serie van vier artikelen enige aandacht.
In eerdere afleveringen kwamen
Hendrik Jan van Lummel en Johannes Corstianus de Puy aan bod. In deze derde
aflevering laat Martien Paats u kennismaken met Lodewijk Plette.
Lodewijk Plette
Een derde onderwijzer vraagt de aandacht
in de rij van personen die van grote betekenis zijn geweest voor de
protestantse koorzang. Het is Lodewijk Plette, een van de belangrijkste mannen
bij de oprichting van de Bond van Christelijke Zangerverenigingen in 1886 en
componist van het bondslied ‘Eén in geest en streven’. Hij was dirigent
in Winterswijk, Den Haag en Rotterdam.
In het nummer van de eerste
jaargang van het bondsorgaan - toen nog met de naam De Lofstem - schreef
Plette: “Ik herhaal het: laat uwe leerlingen niet los na het verlaten van de
school. Ik mag, door ondervinding geleerd, getuigen dat menig onderwijzer met
mij een zegen wegdroeg door de zang met zijne oud-leerlingen.” Hij riep zijn
collega-onderwijzers op met hem door middel van de zang beschaving en zedelijke
ontwikkeling te bevorderen. Die oproep was niet aan dovemansoren gericht. Veel
onderwijzers waren de spil van zangverenigingen. De negentiende-eeuwse
onderwijzer zag voor zichzelf de taak als cultureel en maatschappelijk werker
weggelegd. Dit ondanks het feit dat die onderwijzer vóór 1857 altijd een
bijbaan moest hebben. In de Gids voor de onderwijzer uit 1883 staat: “De
verheffing en de veredeling der volksontwikkeling moet hoofdzakelijk uitgaan
van de lagere school.”
Terug naar Plette. Hij begon zijn
loopbaan als hulponderwijzer bij Van Lummel in Utrecht. In 1869 werd hij hoofd
van de niet-gesubsidieerde bijzondere school in Winterswijk, die met 103
leerlingen startte. Toen Plette in 1880 vertrok - ook uit de woning waarin
daarna de schilder Mondriaan opgroeide - telde de school 330 leerlingen. Over
kooractiviteiten van Plette is niets bekend, maar wel staat in een gedenkboek,
dat Plette tegen de zin van het schoolbestuur een concert voor zang in de
sociëteit had bijgewoond, “daar toch op een concert door de wereld gegeven, er
veel is dat een christen niet kan goedkeuren”.
Plette wordt in Den Haag
hoofdonderwijzer van de Weeshuisschool. In de notulen van het christelijk
onderwijs staat, dat Plette “tot de regenten het verzoek richtte hem een
‘serafinorgel’ te verschaffen voor zijn zang en muziekonderwijs, zowel aan de
scholieren als aan de onderwijzers der drie scholen.” Plette werd verzocht een
protestantse zangvereniging op te richten. Waarschijnlijk was er al dertig jaar
een groepje zanglustigen, die regelmatig oefenden, maar meerstemmig gezang was
toen in protestantse kring een bijna onbekende zaak. Het muzikale klimaat
onderging verbetering, bijvoorbeeld door de activiteiten van de Maatschappij
tot Bevordering der Toonkunst en de oprichting van de Koninklijke Muziekschool.
Ook de opkomst van het harmonium speelde een belangrijke rol.
De vele advertenties in De
Lofstem voor harmoniums getuigen van de nauwe relatie tussen meerstemmige
koorzang en dit instrument.
Verbeterd
muziekonderwijs, het harmonium en een inspirerende onderwijzer droegen bij tot
het ontstaan (in 1881) van de Haagse (nu Koninklijke) Zangvereniging Excelsior.
Dit was geen doorsnee koor. De leden waren (veelal) jonge onderwijzers,
ambtenaren en middenstanders. Zij toonden een behoorlijke bestuurskracht. Veel
andere koren misten dat in het begin; de onderwijzer was dan dirigent en
voorzitter. Maar toch is het een feit dat veel jongeren in koorverband geleerd
hebben bestuursverantwoordelijkheid te dragen. Het protestantse koorleven heeft
zo ook een bijdrage geleverd aan de emancipatie van hen die niet tot de gegoede
burgerij behoorden. Ook een bijdrage aan de vrouwenemancipatie. In 1881 werd
bij Excelsior met een geringe meerderheid besloten dat de vrouwen na de mannen
moesten stemmen. De achterliggende gedachte was dat vrouwelijke leden zich dan
in hun stemgedrag konden richten op het stemgedrag van eventueel aanwezige
partners. Plette trad af. Hij was woedend. Hij kwam terug nadat ook door
krachtige steun van het bestuur een eind was gemaakt aan “een stuitende
onrechtvaardigheid en onwellevendheid jegens de dames aan wie zo doende een
brevet van onmondigheid wordt uitgereikt.” Dit gebeurde ver voor de invoering
van het kiesrecht voor vrouwen.
Plette is
directeur van Excelsior geweest van 1881 tot 1890. Het koor wilde graag goede
kwaliteit leveren maar die werd van een aantal kanten bedreigd in de eerste
plaats doordat het koor veel optrad. Men zong in de kerk, in concertzalen -
soms voor het Koninklijk Huis -, dikwijls ook ten bate van het christelijk onderwijs
of liefdadigheidsdoeleinden. Daarnaast vroegen huishoudelijke zaken te veel aandacht. De repetities werden
vroeger kenmerkend vergaderingen genoemd. Elke week werd een verslag gemaakt.
Om meer tijd voor repetitie vrij te maken werden na een aantal jaren de
huishoudelijke zaken op aparte bijeenkomsten aan de orde gesteld.
Eén van
die zaken was de toelating van leden, waarvoor ballotagecommissies, één voor
mannen en één voor vrouwen, bestonden. Ook bleek de orde een probleem. In 1888
verscheen Plette niet op de repetities. Er waren moeilijkheden tussen het
bestuur en hem. Die werden opgelost. Op de volgende repetitie deelde Plette mee
dat hij op verzoek van het bestuur voortaan strenger zou zijn. op deze
mededeling volgde applaus. In 1890 nam hij door ziekte gedwongen afscheid van
Excelsior. Het koor was toe aan een beroepsmusicus. Zijn opvolger was de
befaamde Samuel de Lange. Onder hem en zijn opvolgers ontwikkelde Excelsior
zich tot een oratoriumvereniging.
Excelsior
was niet het enige Haagse koor. In 1875 werd de mannenzangvereniging ‘Oefening
en Stichting’ door de onderwijzer Nieuwkerk opgericht. Hij wilde door het
‘oefenen’ (zingen) van geestelijke liederen ‘stichten’. De eerste vijf
uitvoeringen werden gegeven voor de christelijke jongelingsvereniging. In 1885
vormde de jeugdige Fredrik C.H. Schlamilch het koor om tot een gemengde
zangvereniging. Dat betekende een geweldige opbloei. Nu geniet dit koor grote
bekendheid onder de naam Residentie Bachkoor. De oorsprong ligt - zoals bij
veel koren - in de wekelijkse
bijeenkomst van jongelingen, die, aanvankelijk geïnspireerd door het Réveil,
als doel had ‘de geestelijke, verstandelijke en lichamelijke ontwikkeling der
jongelingschap.’
Zowel
‘Oefening en Stichting’ als Excelsior besteedden veel aandacht aan koorscholing
en muzikale vorming van de jeugd. In 1904 zijn aan elf protestantse koren
zangscholen verbonden, waarvan die van Kerkgezang met honderd leerlingen de
grootste was. Daarnaast waren er koren die voorafgaand aan de repetities
muzikale vorming gaven aan die leden die te weinig muzikale bagage hadden.
Plette was een lichtend voorbeeld. Zijn oproep om met jeugdigen te musiceren
werd nagevolgd. In zijn werk voor de Bond heeft hij daarvoor ook een
bestuurlijk kader gecreëerd.
deel 4 in ‘Vocaal’ juli/augustus 2003,
Sinds 1880 is in een kerkelijk en
maatschappelijk sterk veranderend Nederland het aantal protestantse koren
stormachtig gegroeid. Vier personen die een bijdrage hebben geleverd aan deze
groei, krijgen in deze serie van vier artikelen enige aandacht.
In eerdere afleveringen kwamen
Hendrik Jan van Lummel, Johannes Corstianus de Puy en Lodewijk Plette aan bod.
In deze vierde en laatste aflevering laat Martien Paats u kennismaken met mr.
H. Graaf Van Hogendorp.
Op 19 februari 1886, de verjaardag van Koning Willem III, werd in
het Haagse Diligentia door zeven koren de Bond van Christelijke
Zangverenigingen in Nederland opgericht. Toen ‘s avonds de statuten en een
werkplan waren vastgesteld, klonk er buiten vuurwerk... ter gelegenheid van de
verjaardag van de koning. Als voorzitter werd aangezocht mr. Henrik Graaf Van
Hogendorp (1842-1924). Die keus is voor de bond van grote betekenis geweest.
Hij had een nam die ontzag inboezemde. Hij was de kleinzoon van Gijsbert Karel
van Hogendorp, die in 1813 een belangrijke bijdrage leverde aan het herstel van
de onafhankelijkheid van Nederland en de terugkeer van Oranje.
Henrik van Hogendorp was een man
met grote culturele belangstelling. Hij was bestuurslid van het Gebouw voor
Kunsten en Wetenschappen, van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst en
voorzitter van het bestuur van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Bij
zijn begrafenis werd de rouwstoet voorafgegaan door de Koninklijke Militaire
Kapel, voor een belangrijk deel bestaande uit oud-leerlingen van dit
conservatorium.
Hij was kerkvoogd van de Hervormde
Kerk. Zijn dagelijks brood verdiende hij als referendaris op een van de
departementen en hij onderhield goede contacten met het Koninklijk Huis. Met
groot gezag is hij bijna zevenendertig jaar voorzitter van de bond geweest.
Twee verdiensten springen in het oog: zijn grote muzikaliteit en zijn
ruimhartigheid.
Zijn muzikaliteit komt tot
uitdrukking in veel composities van zijn hand. Zo is ook het huidige bondslied,
dat door Plette gedicht is op een melodie van een Duitse componist, door hem
van een nieuwe wijs voorzien, compleet met vierstemmige zetting. Op bondsraden
vroeg hij aandacht voor de grote werken uit de koorliteratuur en hij schroomde
niet om delen daaruit zelf voor te zingen. Hij was ook de grote stimulator van
het uitgeven van muziek voor de bij de bond aangesloten koren. Als eerste
werden vier niet omvangrijke nummers (met Nederlandse tekst) voor rekening van
de bond gedrukt bij de weesinrichting Neerbosch. Het waren: een koor uit de Jozua
van Händel, een koor uit de Elias van Mendelssohn, een koraal van Bach
en een psalm van Pergolesi. tot heden heeft de uitgeverij 1400 composities
uitgegeven.
Van Hogendorp speelde een
belangrijke rol in de muziekcommissie die de muziek beoordeelde op
geschiktheid. In de eerste decennia van het bestaan van de bond waren er veel
koren die bijna uitsluitend bondsmuziek zongen. Die muziek had een Nederlandse
tekst en was niet duur. Bij iedere uitgave van het bondslied zat ook een stuk
muziek. Zo kon men makkelijk een keuze maken. Voor de jonge bond was deze
voorziening van levensbelang.
Van Hogendorp verzette zich tegen veel van de
opwekkingsliederen die onder andere door
Sankey populair waren gemaakt. C.S. Adama van Scheltema (1839-1889), een
vurig bevorderaar van de koorzang, was een propagandist van deze
opwekkingsliederen. Voor hem “waren verheven esthetische idealen misplaatste
luxeartikelen, gezien de grote geestelijke misère waarin Nederland verkeerde”. Van Hogendorp zorgde dat er ook oor was voor
de muzikale kwaliteit van het repertoire van de koren. In De Lofstem hield hij
een vurig pleidooi voor goede muziek. Van Hogendorp zegt van de vocale muziek:
“Woorden en muziek behooren dan ook samen te gaan en ééne strekking te hebben;
zij moeten bij elkander passen; geen dank- en loflied op een platten
straatdeun, geen gebed van een stervend kind op een polka, geen smeekbede om
zondevergeving op een wals, zooals die te vinden zijn onder de liederen van
Sankey en anderen”. Adama van Scheltema
én Van Hogendorp vertegenwoordigen twee stromingen in de protestantse
liedcultuur.
Naast de muziekvoorziening (behalve een uitgeverij ook een
bibliotheek) vormden de zangersfeesten een belangrijk bindend element voor de
bond en bovendien brachten de feesten een stroom van publiciteit op gang, die
goed was voor de ledenwerving. In 1888 zongen 600 van de 1.423 bij de bond
aangesloten zangers op het vijfentwintigste Christelijke Nationale
Zendingsfeest. In 1890 vond op het landgoed Maria's Lust te Apeldoorn het
eerste eigen zangfeest plaats. Glans kreeg deze dag door het bezoek eraan van
Koningin Emma en Prinses Wilhelmina. De goede contacten van Van Hogendorp met
het Koninklijk Huis kwamen van pas, evenals zijn relaties met vele adellijke
families in het land, die hun landgoederen beschikbaar stelden voor de zestien
zangersfeesten die tot de Eerste Wereldoorlog gehouden zijn.
De sprekers moesten met zorg gekozen worden. De
verschillende stromingen in protestants Nederland moesten aan bod komen. De bond
werd opgericht in 1886. Dat is ook het jaar van de Doleantie. In 1834 had al
een Afscheiding van de Hervormde kerk plaatsgevonden. Kerkelijk heerste er een
grote verdeeldheid. Ook onder orthodoxe protestanten was die aanwezig. Abraham
Kuyper ijverde voor eigen organisaties op een aantal terreinen. Niet allen die
orthodox waren volgden hem daarin. Over het christelijk onderwijs was men het
eens. Maar op het terrein van wetenschap en politiek gingen de wegen uiteen.
Kuyper noemde hen die hem niet helemaal volgden ‘halven ‘. Hij en zijn volgers
waren ‘heelen’. Het is mede de
verdienste van Van Hogendorp dat in die tijd veel koren en ook de bond onderdak
boden aan orthodoxe protestanten van velerlei snit.
Tekenend voor de ruimhartigheid van Van Hogendorp is een
artikel van hem in De Lofstem onder de veelzeggende titel ‘In de ruimte’. “Ik
weet er zoo menschen, die iets niet als christelijk kunnen aannemen, als er
niet, (ja, hoe zal ik het uitdrukken? Misschien zoo:) als er niet een
opzettelijk christelijk etiket aangehecht is. Maar ik vrees, dat voor
zoodanigen menig verhaal van Jezus, met hoeveel devotie ook aangehoord, voor de
rechtbank gedaagd, niet christelijk genoeg moet zijn [...]. Geen bekrompenheid
maar ruimte, is het wezen van het christendom. “
Rond 1850 was er maar een zeer beperkte groep Nederlanders
die zich bezighield met muziek als kunstvorm. In veel studies wordt beweerd, dat cultuuroverdracht en
cultuurspreiding voornamelijk plaatsvond in genootschappen en maatschappijen
zoals Het Nut en Toonkunst en later door het socialisme. Dat is een eenzijdige
opvatting. Wie het protestantse koorleven tussen 1880 en 1915 bestudeert, ziet
dat aan velen al musicerend de schoonheid van de muziek is geopenbaard. Volgens
een globale becijfering van Van Hogendorp hebben in die periode 60.000 mensen
kennis gemaakt met bladmuziek. Niet alleen zongen zij religieuze en vaderlandse
liederen, maar ook werk van bekende componisten als Viotta, Verhulst, Zweers,
Brandt Buys, Röntgen en Gade. Steeds meer koren gingen ook de grotere werken
uit de koorliteratuur zingen.
Naar mijn oordeel heeft deze cultuurspreiding en
cultuuroverdracht in de protestantse wereld kunnen voordoen dankzij de
‘verzuiling‘, de vierdeling die zich voltrok in de Nederlandse samenleving. Binnen eigen verenigingen zochten
jongeren elkaar op en een deel van hen ging zingen, als religieuze uiting als
samenbindend element, maar ook uit liefde tot de muziek, uit een behoefte zich
al zingend te uiten.
Rond 1880 was er
geen zangtraditie. In 1911 constateert Van Hogendorp: “En nu? Allerwegen wordt
gezongen; wie vroeger niet aan muziek dacht, neemt nu het notenblad in de hand;
wie vroeger om zingen zou gelachen hebben, werkt nu ijverig op repetities en
uitvoering mede.
De Muze der Muziek heeft haar intocht gedaan en wordt als
welkome gast begroet”.
Dit is te danken aan veel onderwijzers zoals Van Lumley, De
Puy en Plette, maar ook een man als mr.
Henrik Graaf Van Hogendorp, die met zijn muzikale en organisatorische gaven
voor het protestantse koorleven en voor de Bond van Christelijke
Zangverenigingen in Nederland van eminente betekenis is geweest.
Martien Paats